Geschiedenis

De geschiedenis van de Jonge Socialisten begint al rond 1895. De Partij van de Arbeid heet dan nog de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Jongeren en ouderen strijden gezamenlijk tegen sociale misstanden. Omdat iedereen in die tijd al vanaf 12 jaar in loondienst komt, zijn er weinig verschillende belangen.

In 1901 richt de SDAP haar eerste jeugdorganisatie op, De Zaaier genaamd. De organisatie wordt bestuurd door jongeren zelf en heeft verschillende afdelingen in het land. Er bestaat geen leeftijdsgrens. De Zaaier doet actief mee in discussies over de koers van de partij en maakt deel uit van de linkse, revolutionaire jeugd. In 1909 splitst de Sociaal Democratische Partij (SDP, later geëvolueerd tot CPN) zich af van de SDAP. De Zaaier weigert partij te kiezen, waarop de SDAP de banden met de jeugdbeweging doorsnijdt. De Zaaier ontwikkelt zich dan verder richting SDP.

In 1911 waagt de SDAP een tweede poging om de jeugd te organiseren. Tijdens het congres wordt besloten in alle afdelingen waar voldoende jongeren zijn, jongelieden-organisaties (JO) op te richten. Het bestuur kwam in handen van de jongeren, maar onder toezicht van de ouderen. Naar aanleiding van de ervaringen met De Zaaier wordt de zelfstandigheid beperkt. Actie voeren en politiseren is verboden en er komt een leeftijdsgrens van 14 tot 18 jaar.

Doordat er vele conflicten ontstaan over de vorm en de inhoud van de JO’s heft het Centraal Comité zich op en houden de JO’s op te bestaan. Zij worden afdelingen van de nieuwe organisatie, de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). De AJC wordt bestuurd door ouderen. In politiek opzicht mogen de jongeren zich niet met partij- en vakbondspolitiek bemoeien. De organisatie heeft vooral een cultureel opvoedende taak. De activiteiten bestaan grotendeels uit cursussen, pinksterkampen, kinderkampen en voorlichting en propaganda voor de beweging. Als de AJC na de Duitse inval in 1940 onder toezicht wordt gesteld van de rijkscommissaris voor marxistische organisaties, Rost van Tonningen, besluit men de jeugdcentrale op te heffen. Achteraf is de AJC de grootste linkse jongerenorganisatie geweest met ongeveer 10.000 leden. Na de oorlog gaat de SDAP op in der PvdA. De AJC gaat op dezelfde manier verder als voor de oorlog. Maar de formule blijkt achterhaald te zijn. De leden lopen weg. In 1959 wordt de organisatie opgeheven.

Ondertussen wordt in 1946, tegelijk met de PvdA, De Nieuwe Koers opgericht. Voornaamste doel is zoveel mogelijk jonge Nederlanders ‘staatsburgerlijk’ te vormen. De politieke jongerenorganisatie functioneert niet al te best. Het is een kopie van de moederpartij en krijgt te weinig ruimte. In 1959 besluit men De Nieuwe Koers op te heffen. Eén ding is duidelijk geworden: er moet een soort jongerenorganisatie komen, onafhankelijk van de PvdA.

De Nieuwe Koers maakt plaats voor de federatie van jongerengroepen (FJG). De FJG komt aanvankelijk goed op gang, maar loopt daarna terug. Ze belegt vergaderingen, organiseert discussies en probeert rechtse standpunten van de partij te veranderen. De PvdA ervaart de FJG als een kleine, vervelende horzel. Klein, want de FJG blijkt niet in staat grote groepen jongeren aan te trekken.

Vanaf 1973 vindt er een opleving plaats. De radicaler geworden PvdA wil de aansluiting met de jongeren niet verliezen. De partij betrekt jongeren meer bij de organisatie. De totstandkoming van het kabinet-Den Uyl biedt de FJG de mogelijkheid om directe invloed uit te oefenen op de PvdA-ministers en dus op het regeringsbeleid. Binnen de FJG wordt gekozen voor een grotere gerichtheid op de PvdA. Tenslotte verandert de FJG in 1977 haar naam in de Jonge Socialisten omdat deze naam beter herkenbaar is.

Jonge Socialisten in de PvdA